Kwaliteitsverordening BPBI vanaf 2020 in de praktijk

Bij de Kwaliteitsverordening die per 1 januari 2019 van kracht is, is het uitgangspunt een high trust principe voor definitieve leden. Tussentijdse audits kunnen worden opgelegd zodra er signalen bij BPBI binnen komen dat er mogelijk iets mis is bij een lid. Inhoudelijk wordt er gekeken naar het bovenwettelijke deel waarbij je moet denken aan de scholingspunten en de eisen voor SFTI (AFM).

Deze verandering wordt merkbaar in 2020, want dan vindt de kwaliteitscontrole over 2019 plaats. Voor werkzaamheden die onder de reikwijdte van het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermings-bewindvoerders en mentoren vallen, kan worden volstaan met het overleggen van het verslag dat door een accountant is opgesteld conform artikel 11 lid 7 van het Besluit met daarbij opgaaf door de accountant van het aantal behaalde PE-punten per medewerker en de financiële kengetallen zoals vastgelegd in artikel 13 van de Kwaliteitsverordening. Inkomensbeheer valt niet onder de reikwijdte van het Besluit kwaliteitseisen. Mocht het accountantskantoor inkomensbeheer doen verandert er niets en wordt de kwaliteitscontrole net als voorgaande jaren met bijbehorend document uitgevoerd. Zie hiervoor ook artikel 56 van de Kwaliteitsverordening.

Het bestuur heeft doen besluiten om het fenomeen van de accountantspool met daarin door BPBI toegelaten accountant los te laten. Vanaf 2020 volstaat het dat een accountant als zodanig staat geregistreerd in het register van de NBA (Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants).

Voor organisaties die na 1 januari 2019 lid willen worden, is vanaf die datum de toelatingsprocedure verzwaard. Een aspirant lid wordt voorlopig lid na het succesvol doorlopen van de toelatingstoets uitgevoerd door een door BPBI aangewezen accountant. Een voorlopig lid wordt definitief lid na het succesvol doorlopen van twee vervolgtoetsingen door een door BPBI aangewezen accountant. Dit betekent dat het ongeveer twee jaar duurt om definitief lid te kunnen worden.